maandag 11 november 2013

De onwetendheid van het weten

Ik wil weten, maar ik weet het niet. Ik wist het nooit. Zal ik het ooit weten? Ik deed wel altijd alsof ik wist. Ik wist het gewoon, jij niet soms? Ik wist het antwoord op de diversiteitsvraag, ik begreep de waarheid achter het gedicht van de vluchtelinge in Manono, ik doorzag de psychologische ontrafelingen van mijn buurvrouw die alleen wit draagt, ik kende mijn diepste zelf. Ik wist en kende dat alles, hield ik mezelf voor. Ik luisterde niet echt naar die vluchtelinge of naar mijn buurvrouw. Vanuit mijn kennis en weten voorspelde ik de betekenissen van hun woorden en gedragingen. En op die zeldzame momenten dat ik het niet leek te weten, wist ik dat ik weldra zou weten.

Weten. Ik wedijverde in kennis. In het derde leerjaar al vloog ik een klasgenoot in de haren omdat die meer wist. Hoe ik wist dat hij meer wist? Dat wist ik gewoon. Dat streven naar kennis was de rode draad doorheen mijn leven. En hoe meer ik meende te weten, hoe meer ik me distantieerde van anderen die niet wisten. Relaties werden beperkt tot mensen die iets meer weten, opdat ik stiekem – zonder toe te geven dat ik op dat punt minder wist – van hen zou leren en meer zou weten. Want weten was eten. Het was het voedsel waardoor ik groeide. Als wetende mens. Homo sapiens.  Ik keek op naar al die mensen die meer wisten te weten. Tot ik niet meer wist wie ik was en wat ik wist en of de anderen eigenlijk wel wisten.

Ik wiste mijn weten. Ik wiste mijn identiteit. Ontdaan van mijn weten, was ik bloot en kwetsbaar, wetende dat ik nooit geweten had. Ik tastte in de duisternis, wentelde me in een eindeloos web van onwetendheid, verstikte in onzelfzekerheid. Mijn welbespraakdheid stotterde. Mijn woorden haperden, het blad bleef blank. Wat had ik nog te zeggen? Wat kon ik nog zeggen? Niets. Ik was niemand, omdat ik niet meer kon zeggen wie ik was. Ik kon niets, omdat ik het niet meer wist. Wat ik niet wist? Dat wist ik niet. Niets, niemand. Een zwart gat.

En toch leefde ik nog, ergens diep in die donkere ijlheid. De schijnbaar nietszeggende stilte sprak poezie. Ik wist niet wat de klanken betekenden, maar stoorde me er niet aan. Ik opende gewoon mijn hart om hen te ontvangen. Ze streelden me en - eerst stuntelig, daarna wervelend - danste ik mee op hun ritme. Ik onderging goddelijke ervaringen zonder ze te begrijpen. Ik luisterde, voelde, opende, bewoog, zonder te weten. Ik leefde. Voor het eerst doorleefde ik ten volle mijn (on)wetendheid. En ik wist, nee voelde, dat ik hiervoor nooit echt geleefd gehad, want mijn weten had altijd mijn gevoel gesabboteerd. Ik wist, nee voelde, dat dit moment wellicht uniek zou blijven in mijn leven, omdat ik weldra weer zou willen weten, omdat ik nu eenmaal mens was. Ik wist, nee voelde, dat enkel niet weten de mens dichter brengt tot de goddelijke alwetendheid. En dat we daarom als mens gedoemd zijn om te blijven pretenderen dat we weten, tot we niet meer kunnen weten. Tot de dood ons scheidt van het weten en we onwetend deel worden van het Ultieme Weten.


Ik weet nog steeds niet. Maar ik heb wel ervaren dat die onwetendheid me niet minder mens maakt. Integendeel, misschien moeten we allen wat minder alwetend zijn jegens elkaar, ons weten wat meer doorleven en wat meer niet weten. Misschien is echt weten het verwelkomen van de reflectie van de dynamiek van het niet weten. Misschien gaat echt weten niet over het weten op zich, maar over hoe je ermee omgaat. Weten als bladeren van een boom, die groeien, bloeien, vallen en dienen voor een nieuw begin. Wie weet?

zaterdag 19 oktober 2013

Jij en ik, onze uiteindelijke goddelijkheid

Hoe geloof ik in het Ene en tegelijkertijd in het oneindige? Hoe geloof ik in Een waarheid en tegelijkertijd in verschillende perspectieven? Hoe geloof ik en twijfel ik tegelijkertijd? En bovenal, hoe ben ik een ‘ik’ in de uiteindelijkheid van goddelijkheid?

Mijn geloof is een geloof van tegenstrijdigheden die bij nader inzien niet tegenstrijdig hoeven te zijn. Allah is voor mij een allesomvattende entiteit die niet vatbaar is in wat wij in onze beperktheden  kunnen vatten. Allah is De God, op zich, die zich kenbaar maakt in elk uniek bestaan. Allah is de energie die dit voortdurend uitdijende heelal bijeenhoudt, de kiem waaruit we allemaal zijn ontsproten, de kracht achter het Higgsdeeltje. Allah is dit alles, maar ook niet. Allah is, zonder dit alles. Allah is.

En in dit pure Zijn schuilt een enorme liefde. Een liefde waarnaar ik verlang, die ik ooit gekend heb en die ik mis, elke dag, elke minuut, elke ademhaling. Een liefde die ook een verscheurende angst inboezemt, een liefde die ik pas echt zal toelaten wanneer ik er klaar voor ben, want die liefde zal me ontnemen van mijn ego, mijn illusionaire zijn, mijn adem. Het is een liefde die mijn eigen dood inhoudt. Een liefde waartegen ik me verzet, want echt klaar denk ik nooit te zullen zijn voor die stroom die me zal ontvreemden van mijn vertrouwde oever en me zal onderdompelen in de eindeloze wateren van eenheid ontdaan van het ik.

Ik ben er nog niet klaar voor. Ik ben nog te veel ik. Ik snak naar Jou, maar ik wil me nog even wentelen in de heimwee, de melancholie. Ik wil nog even cocoonen in de illusie van mijn eigen ik en mijn – vergeef me mijn waan – persoonlijke ontwikkeling en vrijheden. En dat in het besef dat hoe harder ik vecht voor die vrijheid, hoe vaster ik mezelf en mijn ontwikkeling keten. Welke vrijheid? De vrijheid van een maatschappelijk systeem dat in zich de angsten draagt en voedt van ons ter dood veroordeelde ego?


Betekent dit dat ik me beter ontdoe van die maatschappelijke boeien? Nee, want dat kan ik niet en daarvoor ben ik ook niet op deze wereld. Wat ik wel kan doen, is de relativiteit inzien van mijn eigen ik en de onoverkomelijke unie aanvaarden van mijn ik met die van alle andere ikken. En daarnaar handelen. Mijn ontwikkeling mag niet ten koste gaan van die van anderen, want die ander is uiteindelijk ook ik. Wij, in onze onoverkomenlijke uiteindelijkheid ontdaan van ons ego, in het goddelijke ritme van de golven van de eindeloosheid. 

Laten we ons daarom, ik en jij, nu al voorbereiden op onze Reis, door elkaar onze ontwikkeling te gunnen en elkaar daarin te respecteren en te steunen. Elk met onze eigen perspectieven en onze eigen twijfels. Ik, jij, Oneindig goddelijk.  

dinsdag 15 oktober 2013

Waar is Hajar?

En waar is Hajar?
Nog steeds verdwaald, ergens tussen Marwa en Safaa, tussen Safaa en Marwa
Verdwaald in de canon van patriarchale herinneringen,
Haar sporen uitgewist door hete woestijnwinden,
Opgeborgen onder het meedogenloze zand,

WAAR  IS HAJAR?
Laten we het zand uit onze ogen wassen,
Laat de ZemZem druppels ons het licht weer ontdekken,
En Hajar vinden

Want waar IS Hajar?
Een schaduwfigurant in een verhaal dat het hare niet meer is, wel WAS,
oh ja, het was ook HAAR verhaal!
Een verhaal van vertrouwen, niet blind, maar puur en oprecht!
Een verhaal van geloof, daad en kennis. Want ze wist.
En ze volbracht haar acte met schoonheid en geduld. Zeven actes. Steeds even overtuigend.
Tot de bron ontsproot onder haar schoot.
En ze haar kind redde van de dood.

En HIER is Hajar!
Een protagonist in haar onbezoedelde geloof,
Een geloof in harmonie met haar daden
Haar daden in harmonie met haar geduld,
Nee, ze bleef niet hulpeloos wachten op Ibrahim.
Ze deed wat ze kon

And beyond that, it was Allah!

vrijdag 19 juli 2013

Vrij van verwachting


Je bent de maand van de Spiegel. De maand die me confronteert met mezelf. Nog meer dan je zusters. Je bent zelfreflectie en het overstijgen van mijn ego naar een reflectie op het Alomvattende. Je bent zo zwaar in al je Lichtheid. Oh, wat snak ik ernaar een veertje te zijn dat drijft op je stromen. Wiegelend, wentelend, wetend. Je bent de maand van innerlijke kennis.

Ramadan 1435. Anticiperend op de heilige maand koesterde ik ook dit jaar weer de hoogste verwachtingen waarvan ik al wist dat ik ze niet zou kunnen inlossen. Al na de eerste dag voelde ik me teleurgesteld, tekortgekomen. Ik dagdroomde van die eerste keren, van tijden voor het moederschap. Toen ik de Darwish was, het middelpunt waarrond alles leek te draaien. Ramadan was toen nog een maand van spirituele verorberingen. Ik las de hele Koran, miste geen enkel Taraweeh gebed, trok me terug in de dieptes van de nacht voor dhikr, kon voor even mijn dorst naar kennis lessen. Allahu akbar!

Maar sinds het moederschap is ramadan een strijd die ik telkens verlies. Ook nu weer leek ik na twee dagen op een ridder die blind rond zich heen slaat in een slagveld waarin hij de enige overlevende is, in het besef dat het geen zin meer heeft. Totdat er vogels aan de horizon verschenen, met steentjes in hun bekken, en mijn vijand zich terugtrok ... wa arsala alayhim tayaran ababiel ...

Mijn vijand, die ben ikzelf; mijn onmacht om met verwachtingen om te gaan. Verwachtingen die worden getekend en geketend door de maatschappij en door mezelf. Verwachtingen die een wachten inhouden dat het nu verlamt. Verwachtingen die de deuren sluiten naar de Ene. En toen was er dus dat kiertje, een kans op redding. Even zag ik het licht. Dat ik mijn spirituele ontwaking in mezelf moet zoeken, in mijn huidige leven, in mijn huidige context als moeder, echtgenote en werkende vrouw. Geen Tarawih voor mij, geen nachtelijke gebeden, geen theologische boeken, maar wel pampers, fruitpapjes en kinderboeken. Waarom mezelf spiegelen aan een leven dat was, terwijl het leven dat is me aanstaart met een onbevangen kinderlijke blik? En laat me die dan beantwoorden met erbarmen en lieflijkheid ... bismilah al rahmani al rahim ...

Ramadan is geduld, liefde en barmhartigheid. Nu pas besef ik dat ik de laatste jaren vastte in zelfmedelijden en in een staren naar wat ik niet kon bereiken, omdat ik onrealistische verwachtingen koesterde. Maar wat ik wel kan bereiken is zo mooi, subhana Allah, hoe klein en nederig het ook is. Deze ramadan draait nu rond mijn kinderen, mijn spiegeltjes. Het is een oefening in geduld, een engelengeduld; het is een oefening in lieflijkheid en standvastigheid. En met mijn kinderen bereik ik toch een bepaalde vorm van spiritualiteit, wanneer we samen bloemen plukken, stokjes in het water gooien en elkaar kietelen. En in die eenvoud vind ik een rust die ik ook ervaar tijdens het luisteren naar de Koran.

Meer nog, dankzij die rust, het aanvaarden van het nu, vrij van verwachtingen, voel ik me dichter bij de Bron. En vanuit dat ware zijn praktiseer ik mijn geloof weer ten volle, maar totaal anders dan verwacht. Samen met mijn kinderen creEren we onze eigen rituelen, die deze Ramadan zo speciaal maken. We beginnen de dag met de Zonnegroet, vinden harmonie in de muziek van de klankschaal, reciteren samen enkele korte soera’s, lezen verhalen over de Profeet, sala alahu alayhu wa salam, knutselen Ramadan vlaggetjes en Leven; we leven in het Eindeloze en Verwachtingsloze Nu. Alhamdulilah!


Ramadan kareem.

dinsdag 7 mei 2013

Zin


Allah schonk me een talent. Een eenvoudig talent: het schrijven. Creatief schrijven. Het waren mijn handen die de pen vasthielden, mijn vingers die het keyboard betimmerden. Het was Allah die me gidste doorheen de letters, woorden en stilistische constructies. En in dat proces van zingeving ontdekte ik de zin van het leven: de liefde voor de Zingever zelf.

Schrijven was vaak intenser dan het gebed. Schrijven was bidden. Was binden, me binden aan het goddelijke, en de goddelijke band vertalen in woorden. En hoe dieper ik in gebed was, hoe puurder mijn schrift. Hoe meer ik nadacht, hoe geknutselder mijn gepruts. Schrijven deed ik vanuit mijn hart, mijn ziel, mijn zijn.

Ik schreef, dus ik was. Maar, ik ben niet meer. Ik heb mijn gebed ontheiligd door het te verwaarlozen. Te lang heb ik niet meer geschreven. Mijn woorden zijn versteend, mijn leestekens verlept. Elke pen in mijn handen verdroogt. De inkt wil niet langer stromen, de zinnen haperen. De zin,mijn zin, bestaat nog slechts uit imperatieven. Uit zogenoemde verplichtingen. Werk, niet schrijven! Vooruit, niet stilstaan! Als zwaarden doorkliefden de uitroeptekens mijn liefde. Ze verlamden mijn handen en doodden mijn zingeving.

En vandaag, 7 mei 2013, op mijn vijfendertigste verjaardag, nu schrijf ik toch, met het bloed dat uit de wonde stroomt. Mijn Zingever is barmhartig. Ik krijg nog een kans. Om dankbaar te zijn voor wat was, is en zal zijn. Om op mijn knieen mijn uitroeptekens te relativeren en in mezelf de vraagtekens te koesteren die aan de bron liggen van het schrijven, het zijn, de zingeving. Oh Allah, dat ik me weer mag laten leiden door de Zin Zelve. 

De zeven chakra’s van de islam


Dit schrijven is geen bekeringspoging, want ik geloof niet in bekeren. Ik geloof in thuiskomen. En dat is bij mij gebeurd toen ik, acht jaar geleden op een zomerochtend in een Kempens bos, bewust door mijn knieën zakte en mijn voorhoofd op het mos drukte. Mijn traan vermengde zich met de dauw. Ik was thuis gekomen. En nu nog altijd kom ik vijf keer per dag thuis, op mijn gebedstapijt.

Allahu akbar, ik breng mijn handpalmen naar buiten, ter hoogte van de vijfde chakra, kwetsbaar en bloot, de goddelijke woorden zuiveren mijn keel. Recitatie als een vorm van meditatie. Ik hoef de Koran niet helemaal te begrijpen om me te laten beroeren door zijn schoonheid. Het is een oefening in waarnemen en loslaten. Waarnemen hoe de klanken trillen, dansen, vormen; om ze vervolgens te laten zijn wat ze zijn: symbolen van en voor het Ene.

Ik plooi mijn handen over mijn borst. Bismillah al rahmani al rahiem. In de naam van God, de erbarmer en  barmhartige. De trillingen strelen mijn hart, beroeren mijn emotionele zijn en stralen in harmonie. Het gebed zuivert het hart, opent de vierde chakra, brengt mij nader tot mezelf, tot jou, tot God. Ik voel me dankbaar voor het leven, het nu, het zijn.

Via mijn kruin of de zevende chakra stroomt de energie van de Universele Bron doorheen mijn ruggengraat. Wervel per wervel. Ik sta. Ik ben. Ik adem. Jouw adem. Alhamdulilahi rabbi al alamien. Glorie voor de gids van de werelden. In de Koran komt de woordkern ‘alm’ (de letters ayn, lam, mim) heel vaak voor. Afhankelijk van de opbouw van het woord,  verwijst het naar ‘de wereld’, ‘het teken’, ‘de kennis’. God creëerde de wereld(en) als teken, opdat wij in onze eindigheid de goddelijke oneindigheid zouden kunnen kennen.

Oh ja, ik ken, ik herken, ik erken. Ik hoef daarvoor niet te vatten. Ik laat de kennis gebeuren. Overtuigd en zoekend. Zelfbewust en versmolten. Geworteld in mijn eigen gronden van identiteiten, als reizigster, vrouw, moeder, activiste, moslima. En vanuit die basis sta ik open voor anderen; mijn takken reiken naar jou en naar de universele Bron.  Mijn eerste chakra vermengt zich met de Eenheid van de Anderen. Ik voel me verenigd met het Leven zelf. Ik ben thuis!

En dan kniel ik en druk mijn voorhoofd tegen de grond,volg  de mediaan die me verbindt met de Kaaba, de zwarte steen waarnaar alle moslims zich richten tijdens het gebed, het spirituele centrum van het bestaan. Mijn verstand ontspant zich, bekijkt de wereld vanuit het perspectief van het derde oog of de zesde chakra en zucht dat alles goed is zoals het is. Alhamdulilah. God zij dank.

Uit de diepten van mijn onderbuik, mijn tweede chakra, borrelt de lava in een stroom van dankbaarheid en liefde voor dit moment van intense intimiteit met mezelf, de Ander, de Ene. Het voelt niet aan als een controleverlies, maar als een ode aan de vrijheid. Vrijheid van keuze, van zijn, van creatie.

In kniezit op mijn tapijt, klein en nederig, me bewust van mijn zwakheden, ben ik sterker dan ooit. Elk gebed dient als een spiegel. Bij elke beweging leer ik mezelf beter kennen. Elke knieval is een nieuwe kans. Elke recitatie ontsluiert nieuwe betekenissen die mij inspireren en gidsen in mijn voortdurende dans met het leven. Mijn derde chakra bruist krachtig. In mijn buiging voor God voel ik me zo humaan. Amien.

zondag 16 december 2012

De molen van het leven



Ik zou weer schrijven, opgaan in het moment, maar ik blijf het moment opschuiven, uitstellen, afstellen. Mijn letters en woorden zetten zich vast in mijn nek. Wat een pijn! “Schrijf!”, roept mijn kine. “Waarom doe je jezelf dit aan?” 

Waarom? Omdat mijn geest me ervan heeft overtuigd dat ik het niet waard ben. Dat schrijven verwaand is. Dat schrijven te veel ontbloot. Ik verstop me achter verantwoordelijkheden – zogenaamde verplichtingen. En die blijven zich opstapelen. Ik laat het toe dat ze me bedelven. Mijn geest wil dat ook.

Want mijn geest is bang van de leegte, de rust waarin alleen het Nu geldt. Alhamdulilah voor wat was, insha’Allah voor wat zal, de Heilige Stilte voor wat is. Een stilte waarin de geest opgaat in een holistiek van ziel en zijn. Eventjes, tot hij zich weer bewust wordt van deze staat van zelfrelativatie en wriemelt, wroet, roept en schreeuwt:
“Ik was en zal zijn!”

Ik – ben – niet – meer.

Mijn armen draaien, wieken rond. De storm van verplichtingen woedt. Mijn romp kraakt en maalt en kraakt en maalt, geen pauze, de adem oppervlakkig, geen tijd, die maalt, en mijn armen zwieren, steeds sneller, de wind giert, de pijn van de versnelling scheurt door merg en been, door wind en wiek. IEIEIEIEIEIE!

Mijn wieken doen pijn. Zo alleen. Doof voor de lijster in de beuk in mijn schaduw. Blind voor de parels van de dauw van het gloren. Smakeloos voor het goud van het koren, dat ik maal en maal en maal, met mijn krakende, brakende wieken. De nevels benauwen me. Het stof verstikt me. Maar er is geen tijd voor mij. Alleen de verplichtingen. Is dit het? Geen tijd voor vragen. Alleen de verantwoordelijkheden.

De molen van het leven.

Maar, ben ik de molen of de molenaar?

Ik heb het vermogen mijn wieken te controleren, te overstijgen. Ik ben niet mijn wieken. Ik ben niet dat draaien, noch dat malen. Ik heb de keuze te zijn. Dat zijn te vinden in de beweging, in de wind, in het koren, in de lijster, maar bovenal in de stilte in de molen van het leven.

Niet achter,
Niet voor,
Maar in.

En zo laat ik de wind waaien,
De wieken draaien
En mezelf zijn.