donderdag 2 mei 2019

Baar-moeder (Hoofdstuk 1)

1 mei 2018

Zeven dagen voor mijn hergeboorte. De zeven dagen van de schepping. Ik weet niet waarheen, waarom, hoe, wat, met wie. Ik schommel op de kosmische golven van de baarmoeder waarin ik naakt en tevens beschermd ben. Geen vragen en al zeker geen antwoorden. Alleen waarnemingen. Soms schrik ik, ervaar ik stress en schop ik om me heen. Meestal doezel ik waakzaam in een magische stilte, die niet stil is maar ook niet luid. Een stilte waarin elk geluid vertraagd tot me komt. Ik absorbeer het met mijn oren, mijn huid, mijn hele zijn. Een zijn dat me bewust maakt van mijn eigen ik en dat me tevens, vrij van tegenstelling, helemaal verbindt met de beweging van eb en vloed om me heen, van dag en nacht, van in- en uitademing. 

Mijn buik ligt op de zitbal in de kinepraktijk van mijn fasciatherapeute, Tinneke. Tinneke werkt op de doorstroming van het bindweefsel. Boven op mij ligt mijn jongste zoontje, Adam, bijna twee. Zijn armpjes en beentjes bungelen los langs mijn schouders en heupen. Ik draag hem, de bal draagt ons, de zwaartekracht draagt de bal, een dynamisch versmelten van verschillende energieën. Tinneke vraagt me om mijn aandacht te brengen naar mijn eigen huid. De elasticiteit ervan te voelen en tegelijkertijd de eigenheid, mijn huid. En hoe ik in mijn eigen huid zit. Hoe ik een bepaalde ruimte inneem en hoe die ruimte eruit ziet. 

Ik zie mezelf op een wit strand dat uitkijkt op een turquoise zee, rechts achter eindeloze duinen, links achter rotsformaties begroeid met dennen en eiken. Ik zit in een hutje, vier houten palen met een rieten dak en gekleurde voiles die me afschermen en me tegelijkertijd verbinden met de wereld rondom me. De voiles dansen mee met de wind. Soms is de zee geel, dan weer roze, of groen. Als de wind opening creëert, is ze schitterend blauw, met sterretjes in het witte schuim van de beukende golven. Die kleurschakering van voiles is mijn huid. Alles komt bij mij binnen. Via mijn huid adem ik, ervaar ik, huil ik, lach ik, leef ik. Als een prinses op de erwt zit ik tussen mijn voiles, beschermd en tevens heel erg kwetsbaar. 

Dan vraagt Tinneke me om me ook de huid van Adam te visualiseren. Zijn huid is helemaal aangetast door eczema. Het is lente en de pollen krabben hem open - althans, dat is de medische verklaring. Liefst zou ik hem opnieuw in mijn baarmoeder opnemen, dat mijn water hem kan helen. Eigenlijk kan ik me moeilijk zijn huid visualiseren zonder tranen te voelen opwellen. Hij en ik, onze huiden, zijn nog te veel met elkaar verweven. Alvorens ik kan hergeboren worden, moet ik Adam opnieuw baren. En de weeën van die bevalling zijn een maand geleden ingezet. 

Een maand geleden ging ik door de knieën. Mijn water brak en stroomde uit mijn ogen. Twee weken lang, tot bijna alle vuil was weggetraand. Burnout had de dokter het bestempeld. Ik was overprikkeld, oververmoeid, over mijn grenzen gegaan. Ik aanvaardde die etikettering niet. Zowiezo houd ik al niet van het labelen van mensen, en tegen het label van burnout voel ik een enorme weerstand. Ook nu, een maand later, weet ik niet in hoeverre een label echt nodig is. Maar het maakte me wel wakker. Diep binnenin wist ik al jaren dat ik flirtte met een burnout, maar ik kon het verstoppen, me duizend keer sterker voor te doen dan ik was. Ik vluchtte in andere labels, in bijvoeglijke naamwoorden zoals sterke, onafhankelijke, doorzettende, gepassioneerde. Illusies waarmee ik mezelf identificeerde, boeien waaraan ik me krampachtig vasthield. Want ik was .... beter. 

Is het geen vorm van hoogmoed om je anders voor te doen dan je bent? Om je sterker voor te doen. Of harder. Een masker te dragen. Het niet aanvaarden van je zielszijn. Het ego volgen in zijn maskerade van streven, vergelijken, wedijveren. Om onder dat masker de wondes en littekens van onzekerheid te verbergen. Want hoogmoed en onzekerheid gaan hand in hand. Beiden zijn het resultaat van angst. 

Angst, ja, de ene nachtmerrie na de andere had ik. Overdag stoer met het zwaard slaand, 's nachts weerloos tegen de demonen. Tsunami's, genocides en invasies hebben me getekend. Alsof ik de drama's die anderen beleefden, zelf meemaakte. Enerzijds is dit het resultaat van een leven via de huid, van verregaande empathie. Van de dynamiek van getijen tussen het zelf en de ander. Anderzijds is het ook een uiting van hoogmoed en onzekerheid. Van een gebrek aan vertrouwen in het Leven. Het Leven leidt de weg en ons ego beweert een betere gids te zijn, te kunnen ontsnappen aan de gevaren, onbewonnen paden te kunnen inslaan. Uniek te zijn, zeg maar. Beter. Afgescheiden van het geheel. Intrinsiek aan die hoogmoed zit de dreiging van de val. De val die onze hulpeloosheid blootlegt. En waarin we onze eigen vijand zijn. En dat maakt ons onzeker. We kunnen niet eens vertrouwen op onszelf, laat staan op het Leven. De dodendans van hoogmoed en onzekerheid - of noem het een gebrek aan Vertrouwen. 

Mensen zeggen vaak dat ze zoveel hebben meegemaakt en gezien dat ze geen vertrouwen meer hebben. Ze vragen hoe je medemens nog te vertrouwen als je getuige bent geweest van de menselijke gruwel? Zo ook bij mij. Mijn hele leven draait rond de verhalen van anderen. Als journalist schreef ik portretten van oorlogsslachtoffers, die wegstoften. Als leerkracht ging ik met nieuwkomers aan de slag rond dagboeken, die uitdroogden. Als loopbaancoach schreef ik epossen, die veelal eindigden in drama's. Sirenes van woorden lonkten, woorden van anderen, en telkens verliet ik mijn eigen huid om op te gaan in die van de ander. Om dan de verantwoordelijkheid op te eisen en het verhaal naar mijn hand te zetten. En uiteindelijk verslagen en teleurgesteld terug weg te kruipen in mijn eigen huidschelp, die ik depte met (zelf)medelijden. De onzekerheid brak mijn schelp telkens wat meer, de hoogmoed om een volgend verhaal te gaan herschrijven, poogde de scheuren te lijmen. Een gedoemd verhaal. Waar hoogmoed en onzekerheid eindigen in uitputting. 

Twee jaar en zeven maanden geleden bleek ik onverwacht opnieuw zwanger. Dat moment waarop de bloedtest positief toonde, daverde de grond onder mijn voeten. Drie minuten lang snakte ik naar adem. Om dan het vertrouwen te herwinnen in de verrassingen van het leven. Een verrassing, zo was het. Ik was 38 en voelde me sterk en klaar. Ook nu zou ik me alleen laten begeleiden door mijn huisarts en ik weigerde meer dan één echo. Maar ik was zo moe. De vermoeidheid zette zich vast in mijn benen, heupen, bekken, rug, schouders, borstkas en gelaat. Ik was dof van vermoeidheid. Mijn yogaleraar zei me meermaals thuis te blijven. Maar ik antwoordde hoogmoedig dat ik het wel aankon, en dat ik onmisbaar was op het werk. Hij noemde me egoïstisch, omdat ik alleen dacht aan mijn eigen ambities en niet aan het leven in me. Ik vond hem onrealistisch.

Toen barstte het water. Ik was volledig overgeleverd aan, jawel, de verrassingen van het leven. En toch bleef ik me ertegen verzetten. Ik huilde van frustratie toen de ziekenwagen me wegsleurde uit mijn thuisomgeving. Vanuit de achterramen zag ik me steeds verder verwijderd worden van mijn andere drie kinderen, mijn thuisplannen. Ik zou die namiddag nog met hen naar de Lilse Bergen gaan! De zakken stonden gepakt - de picknick zou ik vijf weken later rot terugvinden. Mijn man en ik waren het nog niet eens over een naam! Ik hield van Maria voor een meisje en Amin voor een jongen. Maria, die in de canon van de geschiedenis herleid werd tot de draagmoeder van een profeet, terwijl ze zelf ook goddelijke boodschappen ontving, wat haar tot een profete maakt. Amin, als een zegel op de zegening van een warm gezin, een dankbaar Amen. Mijn man dacht eerder aan Aya of Marwan, gewoon, omdat hij die namen mooi vond. Ik zou thuis bevallen, niet in een universitair ziekenhuis zo ver weg! Terwijl de weeën opkwamen lag ik te plannen in de buik van de ziekenwagen. De vering van het bed brak mijn weerstand, ik voelde me gedragen. Ik kwam terug tot mezelf. Overgave. Het is was het is. In het ziekenhuis trok ik de bakster uit die ze me gaven om de weeën te remmen. Onverantwoordelijk noemden ze me. Vertrouwen, zo voelde het voor mij. Op een natuurlijke manier baarde ik een jongen van net geen 32 weken. Meteen na de geboorte werd hij me onttrokken en bleef ik trillend achter met een lege moederkoek en een naakt naamkaartje waarop ik nog geen naam kon invullen. Leeg. Leger dan ooit. Een leegte vol gemis. 

De leegte in mijn buik als weerspiegeling van de leegte van maatschappij en politiek. Alles is politiek. Misschien nog het meest van al eenvoudig Mens zijn. De mens wordt gereduceerd tot koopkracht. Kan je niet voldoende consumeren, dan ben je minder waard. Om te kopen, wringen we ons in onmenselijke bochten en corsetten en vervreemden we ons van onze menselijkheid. Deze politieke cultuur is een cultuur van ontmenselijking van al wie anders spreekt, denkt, leeft. En media dienen als spreekbuis. Wij, de ontvangers consumeren gretig wat ons wordt voorgeschoteld, in de hoogmoedige waan dat onze stem gehoord en gerepresenteerd wordt. Toch is politiek ook geen top-down verhaal, waarin wij louter slachtoffers zijn. Het is noch top-down, noch bottom-up.  Het is één geheel. Wij zijn elkaars spiegel. Zoals ouders met elkaar omgaan, gaan buren met elkaar om, gaan leerkrachten en leerlingen met elkaar om, gaan politiekers en burgers met elkaar om. Het is een heel mechanisme dat zichzelf kan verzieken of helen. Helaas zien we die afhankelijkheid te weinig. We zitten zo vast in zekere patronen, dat we die niet meer kunnen waarnemen. Om een ziekte te kunnen vaststellen en te genezen, moet je ze kunnen zien. Maar we lopen met oogkleppen, als een karavaan van muilezels die een ondraaglijke last meesleuren en alleen nog kijken naar de hielen van de voorganger. Ervan overtuigd dat stilstaan geen optie is, dat er geen andere wegen zijn. Alsmaar vooruit. Immers, stilstaan is bedreigend, want dan krijg je klappen. Zij die stilstaan, vliegen eruit, om te creperen. En dan is het hun eigen fout. Want kijk dan, het loopt toch! 

Zo liep ik, jaar in jaar uit. Ik liep niet altijd in dezelfde karavaan, mijn bestemming veranderde wel eens, naar Egypte bijvoorbeeld. Ook daar bleef ik meedraaien in de ratrace; misschien nog meer zelfs. Want ik moest bewijzen dat mijn omzwerving een meerwaarde was voor het systeem. Ik werkte me te pletter, desnoods met vrijwilligerswerk - stilzitten was geen optie. Dat zou getuigen van ondankbaarheid, profitariaat. Ik kon spelen met verschillende identiteiten: onderzoekster, journaliste, schrijfster, educatief medewerkster, levenscoach, activiste, feministe, socialiste en uiteraard ook moeder, echtgenote, dochter, zus, vriendin. Telkens vrouwelijke versies van mezelf. Identiteiten die maatschappelijk geconstrueerd worden, als reactie op maar tevens bepaald door een afzetten tegen het patriarchaat dat al generaties tekent en ketent. Maar in dat afzetten ligt ook een bepaalde aanvaarding. Het zich afzetten tegen dé man als eenzijdige norm is ook het aanvaarden dat er zoiets bestaat als een eenzijdige norm, met name dé vrouw. En zo werd voor mij dé man de eeuwige tegenstander. En was God voor mij een alleenstaande Moeder, eenzaam, verborgen en stemloos.

Voor een vierde keer moeder. Maar deze keer was mijn baby niet bij me. Als een koe van wie het kalf haar werd ontrukt vlak na de geboorte. Loeiend, met doodsangst in de ogen. Het placenta als een smachtende herinnering aan haar voeten. Aan haar uiers een gulzige kolfmachine die haar levenssappen leegzoog. Zo zwalpte ik bloedend en druppend door de zielloze gangen van de materniteit, en na enkele dagen werd ik ook daar buiten gegooid, want de bevalling was achter de rug. Er was geen plaats meer voor de moeder. (Na Lina's geboorte mocht ik vijf dagen op de materniteit blijven om op krachten te komen, na Nora's geboorte waren het er vier. Bij Haroun mocht ik meer dan een week blijven, want ook hij was prematuur en ik mocht zijn menselijke couveuse zijn. Een week lang groeide hij op mijn buik in plaats van erin. Een week lang waren we één en we mochten ook eenvoudig moeder en kind zijn. Niet langer zo.) Besparingen, herstructureringen. De politiek ontrukte me mijn baby. 

Politiek dus. Dat ik niet bij mijn baby kon zijn, is politiek. Mijn brief aan Maggy De Block bleef onbeantwoord. Ik had ook niets anders verwacht. Ik verwacht niets meer van onze politici. Maar ook niet van de zogenaamde massa. Misschien is het koesteren van verwachtingen op zich al het begin van de ziekte waarin onze maatschappij zit, de ziekte van het eigenbelang. Als ik iets verwacht, dan zal ik er zo naar handelen om dat te verkrijgen. Vaak ten koste van anderen. Kan je leven zonder verwachtingen? Hoe zeer ik me ook bewust ben van de nefaste impact van prestatiedruk op de ontwikkeling van een kind, toch verwacht ik mooie schoolresultaten. Ik spreek die verwachtingen zelfs uit. En als mijn kinderen er niet aan voldoen, dan durf ik hen zelfs te berispen. Op het moment dat ik dat doe, weet ik dat het verkeerd is, maar hoe kan ik mezelf ervan weerhouden wanneer ik mezelf ook nog steeds zoveel verwachtingen opleg? 

Verwachtingen zijn fata morgana's van het ego. Het ego dat iets wil bereiken om zich daarbij beter te voelen. Wat moet het leven ruimte bieden wanneer het bevrijd is van verwachtingen! Op zeldzame momenten ervaar ik die onbeperktheid, en dat is magisch! Goddelijk. Maar dan fluistert mijn ego met een satanisch stemmetje: "Hoe apathisch! Hoe ga je ooit iets bereiken of veranderen als je je overal gewoon bij neerlegt?" Meestal knik ik dan meewarig instemmend. Maar als ik in die golfstroom van vertrouwen aanwezig blijf, voel ik dat échte verandering, constructieve verandering, alleen mogelijk is als er stilte is, als er ruimte voor is, als het niet vertrekt vanuit weerstand of streven. 

Ik heb een haat-liefdeverhouding met pachimotanasana, de asana of yogahouding waarbij je het lichaam voorwaarts strekt. Beide zitbeentjes in de grond, de benen voor je uitgestrekt. Eerst de armen naar boven uitrekken en vanuit die lengte naar voor komen, een kanteling vanuit het bekken. De neus reikt naar de voeten, niet naar de knieën. De rug blijft relatief gestrekt. Soms geraak ik geen centimeter vooruit. Dan zit alles vast en heb ik de neiging meteen terug te komen. Maar dan spreek ik mezelf toe om te ademen. Een rustige, natuurlijke ademhaling, vanuit het middenrif. En stil te blijven. Niet mee te gaan met de eisen, frustraties, verwensingen in mijn hoofd. En meestal gebeurt het dat er dan een ruimte ontstaat waarin ik verder kan. Maar dan loert opnieuw de verwachting. Als een puber die zijn spiekblaadje uitrolt, duw ik met mijn duimtoppen tegen de achterkant van mijn onderbenen om kracht bij te zetten, me te forceren dus. En dat doe ik vooral als er anderen nabij zijn, want ik moet en zal als yogadocent het verste in de houding gaan. Als ik alleen ben, durf ik me gemakkelijker over te geven aan de magie van het niet willen. En soms, maar ja, niemand is hiervan getuige, kom ik helemaal plat over mijn gestrekte benen te liggen. Of ook niet. De laatste tijd helemaal niet, want de pijn beperkt me. Dan blijf ik in een hoek van 45 graden, maar voelt het alsof ik mijn eigen voeten kus. 

Wanneer ik mensen begeleid in een asanareeks, zeg ik er steeds bij dat het normaal is dat bepaalde houdingen - ook de ontspanningshouding - of ademhalingsoefeningen weerstand oproepen. Voor mij is yoga een goddelijk geschenk. Onze ziel is nu eenmaal verpakt in een lichaam. Laten we dat dan ook gebruiken. Door bewust met dat lichaam om te gaan, juist te ademen, kom ik in contact met mijn eigen ziel, mijn wezenlijke zijn. Dat maakt me geen narcist. Ik heb nu eenmaal mijn lichaam en jij het jouwe. Ik voel jou niet, ik kan me wel iets inbeelden of iets aanvoelen, me in jou verplaatsen, maar dan nog blijft jouw lichaam het jouwe. Eigenlijk getuigt het van weinig respect om te beweren dat je iemands pijn voelt en of iemands grenzen kent. We voelen of kennen niet eens die van ons zelf!

De pijn van de weeën scheurde door mijn ziel. De kleinste baby van de vier, maar de meest intense pijn. Want ik was niet klaar om te scheiden. Ik rolde ineen als een foetus. Ik wilde samen met mijn baby in mijn eigen baarmoeder kruipen. Me onttrekken aan de dreigende wereld, maar die verkrachtte me. De dokter dwong me op mijn rug, duwde mijn benen op en een steriele hand wrong zich naar binnen. Ik had geen keuze. En dus kon ik niet anders dan aanvaarden. Ik gaf me over aan de zwaartekracht, liet me leiden door de baren, werd één met de golfslag. Om op te gaan in de Oerkracht die alleen barende moeders kunnen ervaren. Een oerkracht die de dualiteit van pijn en vreugde, van verlangen en afgrijzen, van tranen en bloed , van vroeger en later, van het dierlijke en het menselijke overstijgt. Een oerkracht waarin alleen nog de Ene overblijft, het Eindeloze Bewustzijn, de allesomvattende Leegte. Die leegte verstomde alle stemmetjes in mijn hoofd. Ze werden het zwijgen opgelegd door de overgave. Ze hadden geen woorden om de stilte die samengaat met aanvaarding te beschrijven. 

Vanuit die stilte kon ik luisteren, echt luisteren, volledig aanwezig zijn, ook in de afwezigheid. Fysiek twee verdiepingen onder mijn zoontje, hoorde ik zijn hartje dansen. Ik zong mee op zijn ritme. Toen ik hem uiteindelijk mocht zien, piepklein en broos in een couveuse, kwam ik hem zingend tegemoet. Door een gat in de plastieken wand mocht ik mijn handen op hem leggen. Mijn tranen stroomden via mijn hals naar mijn armen naar mijn vingers en likten zijn poreuze huid. Zijn borstkas zwoegde op en neer, al zijn energie ging naar zijn middenrifspier. Nog net geen 32 weken zou hij medisch gezien nog niet alleen kunnen ademen. Maar hij deed het, en hoe! Hij ademde, volle teugen. En zo openbaarde hij ons zijn naam: Adam, adem. Atman in het Sanskriet is ziel. Adam in het Arabisch is mens. Adam, de eerste ziel die de goddelijke levensenergie of adem kreeg ingeblazen. Adam. En ik zong: "Deep, deep breath, colourful breath, butterfly breath, divine breath, Adam habibi." Dagen en nachten bleef ik aan de glazen kist gekluisterd, als een van de zeven dwergen, wachtend op het ontwaken van de geliefde. 

Adam en Eva. Pas na de reacties van familieleden besefte ik dat het misschien wel een vreemde naamkeuze was. Maar het was geen keuze, het was een gegeven. En ook wel tekenend voor mijn beleving van religie, religie die doorheen de geschiedenis steeds ontdaan wordt van haar vrouwelijke stem. Welke religie of geloofsovertuiging of levensbeschouwing ook, overal domineert de mannelijke stem. In deze getormenteerde wereld is het evenwicht zoek. Er is geen balans meer tussen yin en yang, tussen Al Jamil - als de ontvankelijke zachte baarmoeder - en Al Jalil - als de stuwende baarkracht - tussen vrouwelijke en mannelijke energie. Het leven is niet een keuze voor één van beide polen, het zijn ook geen tegenpolen, het zijn elementen die elkaar nodig hebben, elkaar versterken, en er zonder elkaar niet zijn. Het leven is een overstijgen van die twee energieën, neti neti, noch dit noch dit, zoals er in de yoga wordt gezegd.

Helaas worden we vaak geduwd in dit of dat, het ene of het andere. Ook dat is weer politiek, het is een systeem waarop het individu weinig vat lijkt te hebben, maar dat wel gemaakt en in stand gehouden wordt door individuen die zich met elkaar identificeren en zich aldus afzetten tegen zij die daartoe niet behoren. Hoe dat evenwicht tussen yin en yang, jamil en jalil te herstellen? Er is geen theorie voor, want theorie zet ons weer te veel in het jalil, het louter rationele, systeem. Het gebeurt eerder op energetisch vlak. Maar dat energetische wordt weggehoond door een samenleving die te veel geïndoctrineerd is door de harde bewijzen van jalil. En toch is dat energetische er, kan je er niet aan ontsnappen, zelfs al 'geloof' je er niet in. 
         
Adam maakte voor mij de boodschap van geloof tastbaar, echt. Die drie dagen, weet je wel. Dan naar huis. Ik moest me ver-mannen. En toch was ik zelfs op 30 km afstand verbonden met mijn kleintje. Ik ontdekte de ware waarde van borsten. Het zijn geen lustobjecten voor kwijlende venten, maar antennes die de signalen van de baby opvangen. Ik voelde wanneer Adam honger had, dan stuwden en drupten ze. Trouwens, vanuit waardering voor het jalil aspect, mijn bevindingen werden onderbouwd door de gedetailleerde rapporten van de verpleging in de couveuse: Adams hongerreflexen kwam op de minuut overeen met mijn stuwingen. Wanneer ik vol ongeduld in de file stond op weg naar hem, lag hij rusteloos te huilen in zijn plastieken buik. 

Toen ik hem voor het eerst op mijn blote borst mocht leggen, drie dagen na zijn geboorte, fluisterde ik hem liefdevol toe dat hij maar veel moest drinken, want dat hij zo snel naar het lokale ziekenhuis zou worden overgebracht, dichter bij mama en papa, broer en zussen - die hem nog altijd niet hadden mogen bezoeken. Hij opende zijn oogjes, zuchtte diep en liet zich zakken naar mijn borst. Ik spoot hem de melk in zijn mondje en hij dronk. Hij dronk! Ten strengste verboden, had de verpleegster me berispt. Maar hoe kon moedermelk nu slechter zijn dan de antibiotica en de cafeïne die hij via infuus kreeg binnen gestouwd? Met mijn rug naar de verpleging toe molk ik mezelf. En hij genoot. Veel sneller dan verwacht, bereikte hij zijn originele geboortegewicht en mocht hij zijn eerste stapje dichter naar huis zetten. 

De dag van zijn échte thuiskomst was tevens de verjaardag van mijn schoonvader, die het jaar voordien overleden was. We doopten die dag om tot onze familie Hassan dag, onze eigen feestdag. Niets leek nog belangrijk. Gewoon samen zijn als gezin. In alle eenvoud, met kruimels op de vloer, pampers in bed, huiswerk tussen de tandpasta. Een diep geluk verbond ons. En toch stak diezelfde dag, zelfs met Adam op mijn borst gedrukt in een draagdoek, de rusteloosheid terug op. Een rusteloosheid die de voorbije weken alleen in de nabijheid van Adam plaats had geruimd voor aanvaarding en bewustzijn. Die avond belde een vriendin me. Ze had de perfecte vacature gezien voor mij. En de deadline was binnen een uur. Adam sliep. Ik opende de computer en schreef een brief recht uit het hart. Ik had de job. Maar ik moest drie maanden later al beginnen. Wat met mijn voornemen om er te zijn voor mijn gezin? Er ontspon zich een tweestrijd en jalil won. Ik vermande me. De strijdambities juichten en mijn ego joelde. Ik was de amazone die alles kon. 

Tot een dikke maand geleden dus. Dag na dag vallen de rokken van me af, als een ui die tranend gepeld wordt, tot er alleen nog een kern overblijft. Die kern, dat ben ik. Maar mijn ogen zijn te betraand om écht te kunnen kijken. In momenten van windstilte is alles zo kristalhelder. Maar van zodra de echo van mijn stemmetjes de oppervlakte raken, wordt alles troebel en zie ik alleen nog doorheen de bril van mijn ego. Een ego dat eist dat ik me aan mezelf en de wereld bewijs. Dat ik permanent in beweging, in actie moet zijn, dat ik alleen bestaansrecht heb als ik iets bijdraag. Geen poëzie uiteraard, maar kritische voetnoten in de zijlijn van de wereldgeschiedenis. Ik maak immers deel uit van die canon, en om mee te kunnen roeien, moet ik de spanen in eigen handen nemen. En moet ik vooral het tempo volgen van de maatschappelijke ratrace. Niet aarzelen, me laten bedwelmen door de vloeiend repetitieve beweging, zeker niet bezinnen over de leegte tussen de verticale val van de druppels aan de roeispanen. 

Maar het is net die leegte waarnaar ik zo snak! De leegte waarin druppels noten vormen die zich aaneenrijgen op muziekbalken om zich te verbinden met de kosmische stem. Een stem die alleen bevrijd kan worden met de sleutel van stilte. Van bezinning. Het is immers in stilte dat magie ontstaat, dat er zich mogelijkheden openbaren die je anders nooit zou ontdekken. Want we zijn allemaal vastgeroest in bepaalde denkpatronen, ideologieën en maatschappelijke, vaak geïnternaliseerde, verwachtingen. Men verwacht dat je je kapot werkt, dat je leeft om te werken en dus te kunnen consumeren. Consumptie is het Hogere Doel waarvoor we ons welzijn graag opofferen. Dat welzijn koop je immers terug, in de biechtstoel van de wellness- en happyness-industrie. We zijn keihard voor zij die niet meekunnen of willen draaien, maar we gaan door de knieën voor ons eigen me-time momentje. En daarvoor willen we best wat dieper graaien in de portemonnee. Immers, wij verdienen het! De maatschappij knikt goedkeurend, want zo kunnen we er weer tegenaan! Als ijsberen die van de ene ijsschots naar de andere ploeteren, wetende dat alles smeltend is. Maar we blijven ons vasthouden aan de illusies van de boeien. Boeien die ketenen in plaats van redden. 

Redden. Een woord voor een klassiek epos. Een woord dat geassocieerd wordt met altruïsme, maar tevens gevaarlijk egocentrisch kan zijn. Hoeveel conflicten of oorlogen worden niet gevoed met een lepeltje redding? In een saus van beschaving, verlichting, democratie, het ware pad. Wij, de wetenden, gaan hen, de onwetenden, redden. Of interpersoonlijk ook. Hoeveel mensen zitten in een verziekte relatie omdat ze hun partner willen redden, van verslaving, trauma's, pijnen, angsten, een laag zelfbeeld of andere psychologische problemen? Helaas is dit vaak een vlucht om zo hun eigen demonen en lijden niet in de ogen te hoeven kijken. Een vriend en kluizenaar zei me onlangs, tijdens een wandeling langsheen meren omringd door biezen waartussen spinnen web boven web weefden, gigantische dromenvangers om zich te beschermen tegen nachtmerries, dat ik me misschien te veel liet opzwepen door de angsten en pijnen van anderen om mijn eigen diepste angst en pijn uit de weg te gaan. Ik, angst, lijden? Ja ik had pijn, over mijn hele lichaam zelfs, maar die zou vanzelf optrekken na een deugddoende vakantie. Ja, ik had nachtmerries, over genocides, racisme, polarisatie en islamofobie, soms ook over nachtelijke merries die op hol sloegen, maar dat waren maatschappelijk geconstrueerde angsten, angsten die een realiteit zijn, maar een diepe persoonlijke angst? Het intrigeerde me en ik wilde op zoek gaan. 

Ik volgde loopbaancoaching, bij Klaartje, onder andere om te leren omgaan met die angsten en het lijden van anderen binnen mijn professionele leven - er was geen afscheiding tussen professionele en persoonlijke leven,  voor mij werkt die dualiteit niet. Het was geen tête-à-tête, het was coaching met paarden, in een wei te midden van andere weilanden. Er stonden een zestal boerenpaarden, met lange manen en dikke sokken. Ik stapte de wei in en wandelde naar ze toe. Maar ze keken over me, ik voelde me nutteloos, betekenisloos. Terwijl ik eigenlijk altijd van nut, van betekenis wil zijn. Of ik iemand bij me had, vroeg Klaartje me, iemand die me heel dierbaar is maar die er niet echt is. Helga natuurlijk, mijn zusje! Mijn zusje dat ik nooit gekend heb maar dat ik in mijn hart koester. Mijn zusje dat ik niet heb begraven, maar voor wiens bruuske vertrek ik de pijn heb meegedragen. Een pijn die mijn moeder niet alleen kon houden, en die ze via de moedermelk met mij deelde. De pijn die niet benoemd mocht worden, want ... ze was begraven. Een pijn die in haar onzichtbaarheid bleef groeien tot ze de hele wereld omvatte. Tot ze de pijn van de wereld werd. Die pijn droeg ik, onbewust, die pijn was mijn motor om van betekenis te zijn, te moeten zijn, want ik had de verantwoordelijkheid van twee levens. Maar ik was bang die niet te kunnen blijven dragen. 

De pijn was immers ondraaglijk zwaar. Ik zakte door mijn knieën en ik huilde mijn ziel vrij. De paarden keken me aan, met hun grote zachte ogen. Ze zagen me. En ik zag mezelf. Op de grond, in een wei, tussen paarden en coach.Kwetsbaar. En zo menselijk. Klaartje gaf mij een hoepel. Ga je zus een plek geven. Ik liep verdwaasd rond, kwam terug en hing de hoepel rond mijn hart. Ik kon haar niet achterlaten. Ik moest haar dragen. Voor mama. Voor de wereld. Twee paarden kwamen dichterbij, kusten me. Ik kuste terug, knuffelde hen, wilde verdrinken in hun manen. Alleen zat de hoepel in de weg. Ik hing hem rond mijn schouder. Maar hij bleef vallen en ik bleef vechten om hem op zijn plaats te houden. De paarden keken me aan. Ik wist wat me te doen stond. En ik was niet alleen. Ze waren er voor me. Ik gooide de hoepel in de lucht. Het is de wind, mijn kind! Voel je vrij! Ik hou van je! Ik zie je! Maar ik hoef je niet te dragen! De paarden briesten. Gaven me nog een laatste lik. Ik dankte hen, wreef de spanning weg, via hun nek naar hun poten naar de grond. Rustig liepen ze naar de voederbak. Alleen in de weide. Dankbaar. Opgelucht. Ik hoef de pijn van de wereld niet te dragen. Ik zie de tranen, ik aanhoor de snikken, ik vertolk de verhalen, maar het is genoeg om er gewoon te zijn. Voor elkaar. Kwetsbaar. Menselijk. 

Mijn diepste, persoonlijke pijn, ontvouwde zich als een uiterst universele pijn. De pijn van verbondenheid, die we vaak ontvluchten door hem te negeren of terug te ketsen naar de lijdende, maar die ons tevens heel erg menselijk maakt. Het is dus oké om de pijn van de Ander op te merken, het is zelfs een voorwaarde om mens te zijn, maar we hoeven hem niet te internaliseren, hem over te nemen, hem te herschrijven, want dan is het niet langer empathie of altruïsme, maar hoogmoed of egoïsme. Dan neem je iets heel persoonlijk af van de ander, dan ontneem je die persoon het eigen groeiproces. Dan stel je je op als de alwetende en de ander als onwetende. In plaats van je te verbinden met de ander in de menselijke onwetendheid en samen op zoek te gaan. 

Maar wat is die verbinding dan eigenlijk? Zoals zoveel mystieke woorden, wordt ook dit woord gecommercialiseerd en gepolitiseerd, tot het zelfs geen afkooksel meer is van zichzelf, maar een smerige brij waaraan we ons gezamenlijk bezatten, om de diepgang te kunnen ontlopen. Verbinding. Verbinding is grenzeloos, het overstijgt identitaire afbakeningen en daarmee gepaarde uitsluitingsmechanismes. Verbinding is overgave. Ik kan me pas écht verbinden als ik me bewust ben van mijn eigen ego en niet meega in diens polemieken. Als ik me overgeef aan het Leven zoals het zich nu voordoet, zonder daarbij in apathie te vallen. Als ik écht besef dat verandering pas kan ontstaan vanuit aanvaarding van wat is in plaats van weerstand. Aanvaarding is geen goedkeuring. Het is geen waardeoordeel. Het is een waarnemen en vanuit die waarheid opening creëren. Een opening waarbinnen jij én ik kunnen ademen, kunnen zijn, als in een haiku. 

Alles stroomt, geen strijd
Dan Adem ik Allah-hu
samen zijn we, thuis



Over (-) leven

Precies een jaar geleden ging het licht uit. De lente stond aan de deur, maar ik kon niet opendoen. De winter en duisternis hadden me gegijzeld in ketenen van angst. Ik kon niets meer. Alleen nog bibberen en huilen. Slapen durfde ik niet meer, omdat de nacht me meesleurde naar de hel van conflicten, oorlogen en genocides. ’s Ochtends brandden mijn uitgeputte spieren en gewrichten van de pijn van een tevergeefse vlucht. Want echt vluchten ging niet meer. Decennia lang had ik gevlucht en gerend, alleen op het yoga- of gebedsmatje stond ik stil. En dan zag ik het, heel helder, maar van zodra ik weer opstond, liep ik verder. Want er was geen alternatief. Toch? Dat deden de media en het beleid me geloven. Hoewel ik diep in mijn hart gewoon wist dat het anders kon. Maar ik had de energie niet om me daarin te verdiepen. En ik voelde me zo alleen, zo helemaal niet gedragen. Doorgaan was eenvoudiger.

Tot mijn lichaam het begaf. Hoewel, zelfs toen bleef ik vechten. Het brein geeft zich niet zomaar gewonnen. Jaren van fysieke pijn had ik verdrongen. Wat je geen aandacht schenkt, bestaat slechts in de marge. Zelfs een premature bevalling, bijna drie jaar geleden, had me maar even tot stilstand gedwongen. Adam bracht me de boodschap van een helende ademhaling. Maar de politiek zorgde ervoor dat ik al na enkele uren terug moest gaan rennen en naar adem snakken. Als een melkkoe wiens kalfje haar was ontrukt, met doodsangst in de ogen, verloren en ontzield. Ik had geen keuze, het was over-leven. 

Overleven, zo beschreven de deelneemsters aan de workshop ‘islamofobie’, precies een jaar geleden, hun leven. Als moslim en vrouw, en vooral met migratieroots, voelden ze een voortdurende maatschappelijke angst voor hun leven en dat van hun kinderen. Als moslim en vrouw - me bewust zijnde van mijn eigen witte privileges - herkende ik die gevoelens. Dat ze zo expliciet benoemd en gedeeld werden, was voor mij een eye-opener. Een leven in angst is geen leven. Ik moest de angst in de ogen kijken. Maar daarvoor moest ik eerst mijn ogen zuiveren. Maandenlang stroomden de tranen. Ik zag de weg niet meer. Ik kon niet meer lopen. Alleen nog stilstaan. 

En die stilte hervond ik stilletje aan mijn wortels. Het was en blijft een proces van lange -en diepe - adem. Met elke windvlaag val ik nog om. Maar ik kom ook telkens sterker in mijn eigen kracht. De kracht die ik nodig heb om mijn eigen demonen te aanschouwen. Vluchten noch vechten. Louter kijken en ademen. Soms lossen ze plots op, als een zeepbel. Soms blijven ze spoken. Mijn heel persoonlijke demonen weerspiegelen de maatschappelijke demonen. Het persoonlijke is politiek. Zelfs het meest intieme is politiek. Mijn lichaam is politiek. 

De maatschappij had me vervreemd van mijn eigen lichaam, van mijn eigen vrouwelijkheid. Altijd maar moest ik me als vrouw vermannen, zelfs  tijdens het meest vrouwelijke dat een lichaam kan doen: bevallen. Zo snel en efficiënt mogelijk, rationeel en medisch ook – laat je vooral niet deinen op weeëngolven die het rationele overstijgen, blijf maar in je hoofd in plaats van in je buik. En toch bleek mijn intuïtie vier keer in mijn leven sterker dan mijn hoofd en weigerde ik met mijn bevallingen elke medische interventie.  Vier keer in mijn leven verbond ik me met de oerkracht van de baarmoeder. Ik hoorde haar, ik voelde haar, ik was haar. Al Rahiem in mezelf. God in mij. En tevens gedragen door God, verbonden met de eerste cel, de oorsprong van onze ademhaling, via de navelstreng van de mensheid. Dé mensheid, samen Eén. 

Een te revolutionair inzicht voor ons neo-liberale kapitalistische systeem. Want het doorprikt niet alleen de mythe van het geloof in het louter materiële, maar ook dat van het monopolie van het individuele ik, van het dualistisch denken in ik versus de ander, van man versus vrouw, van wij versus zij, van ontwikkeld versus onderontwikkeld, van beschaafd versus barbaars, van halal versus haram. Teruggaan naar mijn vrouwelijke kracht, deed me inzien dat er een alternatief is. Dat het anders kan. Dat we de dualiteit kunnen overstijgen en er werkelijk zijn voor elkaar, vrij van angst. In vertrouwen.

Sinds een jaar ben ik thuis. De meeste dagen kruip ik diep weg in mijn cocon, te kwetsbaar om uit te vliegen. Te veel pijn ook. Oh, die pijn. Een scheurende pijn in elke cel van mijn lichaam. Soms is ze draaglijk. Dan begeef me naar buiten, verbind me met de mensen rondom me, aanhoor hun verhalen, doorprik hun maskers en aanschouw hun uitputting en pijn. Een maatschappelijke pijn. Maar we moeten verder. We staan er immers alleen voor. Toch? Of niet? Ergens voelen we allemaal dat het zo niet verder kan. Dat dit systeem een aanslag is op onze natuurlijke bronnen, ons lichaam, ons welzijn, onze menselijkheid. We putten onszelf en onze omgeving volledig uit en vervreemden ons zo van elkaar en van onszelf. Die vervreemding voedt angst. En angst voedt vervreemding. De ratrace van de angstcultuur. Valt die nog te stoppen? 

Ja. Als we de moed hebben om stil te staan. Om te kijken en te luisteren, onszelf te leren ontdekken in de ogen van de ander en zelf een spiegel te zijn voor de mensheid. Als we durven te leven in het besef van het eigen kleine ik, in het besef dat er maar één wij is. Als we ons kwetsbaar en open durven opstellen. Als we ons durven laten gedragen worden en bereid zijn die vreemde ander te dragen. Alleen dan kunnen we de lente en het licht binnenlaten en in vertrouwen leven in plaats van angstig over-leven. 

vrijdag 23 mei 2014

Stem van een HOA

Ik ben een HOA. ‘t Lijkt wel een SOA. Doch, een seksuele aandoening is het niet, maar wel overdraagbaar. Op mijn vrouw, mijn kinderen, mijn omgeving. Ik trek hen mee in mijn cyclussen van hoop en wanhoop; van remedie en pijn.

Ik zie mijn vrouw twijfelen en neem het haar niet kwalijk. Wat kan ik haar nog bieden buiten herinneringen en een schaduw van mezelf? Geen geld, geen dak, geen beloftes, ge...en verhalen, geen passie. Slechts tranen een dorre zucht.

Ik ben een HOA, een hoogopgeleide anderstalige nieuwkomer. Ik behoor tot een doelgroep in deze maatschappij. Gemarginaliseerd, onthecht, vervreemd.

Ik ben niet altijd HOA geweest. Ooit was ik gezond, bekwaam; ooit bestond ik. Ooit was ik een man met een naamkaartje, een drukke agenda en een toekomst. Tot de geschiedenis me inhaalde en mijn boeken sloot.

Hier moet ik mezelf herschrijven, maar in een taal die me beknot en mijn stem amputeert. Ik moet mezelf herorienteren, maar waarheen? Alle stappen leiden naar gesloten deuren. En toch klop ik aan, als een bedelaar. Geef me een kans, geef me werk. Meestal hult de deur zich in een doods zwijgen. Soms spreekt ze holle woorden: “Je bent overgekwalificeerd. Je past niet in de bedrijfscultuur. Je Nederlands is niet perfect. Je lijkt te afwachtend.”

Hoezo afwachtend? Ik wacht niet, maar het wachten wordt me opgelegd. Ik draag het wachten als een muilkorf. Ondertussen volg ik les, werk ik voor niets, doorkruis ik het land van netwerkmoment tot jobbeurs. Al meer dan tweeduizend solliciatiebrieven verstuurde ik. Wachten?!

Natuurlijk wacht ik op die ene deur die zich, misschien, opent en die me, heel misschien, binnenlaat. Dan recht ik mijn schouders en glimlach. Maar de dofheid in mijn ogen kan ik niet verbergen. Doffe, vermoeide ogen. Niet de ogen waarop mijn vrouw ooit, in een ver verleden, verliefd werd. Waarin ze kon dromen, zei ze.

Zelfs de dromen zijn me ontglipt. Mijn loopbaancoach stelt me de dromenvanger voor als oefening om mijn jobdoelwit duidelijk te krijgen. Mijn jobdoelwit was duidelijk, overduidelijk, maar na al dat wachten vang ik geen dromen meer. Ik vang alleen nog in het niets. Jobdoelwit? Mijn CV is opnieuw wit. Blanco. Zonder verleden, zonder toekomst. Verloren in de mist.

dinsdag 18 februari 2014

Vogels tellen

Ik ben opgegroeid met het tellen van vogels; blauwborstje, gekraagde roodstaart, wulp, sperwer. Mijn eerste stapjes zette ik tijdens een betoging voor het behoud van de Maatjes, een akkergebied nabij Essen. Mijn eerste zinnetje riep ik tijdens een protestactie tegen een open stortplaats. Ik was het kind van natuuractivisten. Mijn ouders zagen met pijn in het hart hoe de na-oorlogse economie de natuur verdrong,  haar diversiteit nekte en haar wortels vergiftigde. Ze zagen dat en stonden op. Samen met honderden anderen. Eerst individueel. Dan organiseerden ze zich, in de straat, in het dorp, in de provincie; nationaal en internationaal. Milieu-activisten voorbij de grenzen verenigden zich. Allen met een eigen, lokale agenda, maar met internationale steun. Samen sterk. De milieubeweging is ondertussen uitgegroeid tot een bijna volwaardige stem in het maatschappelijke debat. De milieulobby heeft een zekere vorm van autoriteit ontwikkeld, die ook wordt erkend door haar vijanden. Binnenin davert de milieubeweging wel eens over de nodige discussiepunten, maar die worden intern uitgevochten, en betekenen uiteindelijk een verrijking en versterking.

Gisteren wandelde ik met mijn ouders door het Turnhouts Vennegebied, een parel in zijn schoonheid hersteld door lokale, nationale en Europese steun. Een prille lentezon weerspiegelde  de zilverreiger en de blauwe reiger in het donkere water; smalle poten, sierlijke hals. Mijn ogen gleden af naar de refelectie van mijn vader, rechte rug, trotse blik, gericht op de kolonie gruto’s aan de horizon: veel bereikt. Mijn ogen ontmoetten die van mijn moeder en in de rimpeling van het water las ik geloof, haar geloof in de wereld. Ik zocht naar mezelf en het duurde even voor ik besefte dat dat vermoeide, bleke gezicht het mijne was. Een gezicht dat sprak over verloren energie, verloren jeugd, verloren strijd, verloren hoop. Een traan drupte in het water en vormde kringen van verdrongen verhalen, verhalen van een kindsoldaatje in Congo, een gefolterde revolutionair in de Egyptische woestijn, een zieke wees in een Syrisch vluchtelingenkamp, een illegale prostituee in een smerig Brussels kamertje, een Afghaanse chirurg die wordt uitgescholden voor terrorist door zijn collega’s van de Antwerpse vuilnisdienst. Allemaal verhalen die namen dragen en al die gezichten vermengden zich in de kring van mijn traan op het Turnhoutse ven. Een luide snik ontsnapte uit de dieptes van mijn zijn. De reigers vlogen op.

De hele nacht wentelde ik me in de confrontatie met mijn eigen wanhoop. Ik telde de kreten van de bosuil, tot ik zelf mee begon te roepen. En wat een opluchting dat was! Hoe zalig om mijn stem weer te horen! Vannacht realiseerde ik me hoe erg de Egyptische revolutie me heeft getekend en me het zwijgen heeft opgelegd. Hoe ik drie jaar geleden dronken zweefde op de golven van euforie en hoop, om daarna telkens harder op de grond te botsen, keer op keer, geschaafd, gescheurd, opengereten, tot mijn veerkracht op, mijn hoop leeg en mijn stem hol. Ik zat recht in mijn bed en zong, vol en luid: “Irfa3 ra’sek anta masri, anta wahid illi nazla fil midan!” Inderdaad, hoofd recht! Ik heb gedaan wat ik kon, het is niet gelukt, maar ik mag niet in zelfmedelijden blijven hangen. Want dan pas ben ik echt verloren. De strijd in Egypte stond voor mij symbool voor een totale strijd, tegen het imperialisme, het kapitalisme, tegen onbegrip en haat. En de strijd in Egypte hebben we voorlopig verloren omdat we te veel tegen waren, niet voor. Wat was ons alternatief? We hadden geen duidelijk zicht op de kaart, we werden pionnen in een spel dat boven onze hoofden werd gespeeld. We kenden het veld onvoldoende; we hadden onze vogels niet geteld.


En laat me dat nu geleerd hebben van mijn ouders. Alvorens je tot actie komt, moet je de vogels geteld hebben. Je moet weten wat je hebt, waar ze zitten, hoe ze zingen en welke machtsverhoudingen er bestaan. Elk van ons telt binnen de eigen mogelijkheden de eigen vogels. En al die kleine tellingen vormen een grote som, een sterk nummer, klaar voor de strijd. Grass root noemen ze dat. Als de instanties rot zijn, moeten we van beneden uit opnieuw beginnen en onontgonnen wegen durven verkennen. Eerlijk en open, alsof je alles voor het eerst ziet, want dan pas herken je de kiemen voor verandering. En zo stond ik deze ochtend op en keek in de spiegel. En wat ik waarnam deed me glimlachen. In dat schijnbaar uitgebluste gezicht sprankelden mijn ogen groene en grijze sterretjes. Er is hoop. In mijn ogen, in jouw ogen. We zijn de generatie van teleurstelling en burnout, maar samen zullen we dit overstijgen. Moeten we dat overstijgen, met vleugels van hoop. Elk op onze eigen manier en in onze eigen strijd, maar wetende dat we niet alleen zijn. Dat we er voor elkaar zijn. Ik ga alvast mijn vogels tellen en meezingen, in de hoop om weer te vliegen. 

vrijdag 7 februari 2014

Communicatie voorbij de schaamte

Communicatietraining, communicatiestrategie, communicatiebeleid, nog nooit werd zo veel aandacht gegeven aan communicatie. En nog nooit verliep communicatie zo oppervlakkig en gekunsteld.

Begrijp je me? Heb je gehoord wat ik zei? Snap wat ik bedoel? Hoe interpreteer jij dit? Wat denk je te hebben begrepen? Hoe zou jij dit vertalen? Een monotoom gejank in de sleur van de rationaliteit.

Ik voel veel meer dan de nood om begrepen of verstaan of vertaald te worden. Ik voel een intense noodzaak om gevoeld te worden, een gevoel dat het denkvermogen overstijgt.

Voel jij dit? Voel jij mij? Wat voel jij?

Ik voel dat het (h)erkennen van de gevoelens achter de communicatie ons, jou en mij, tot de essentie kan brengen. Tot ons ware zijn. Om als twee unieke deelnemers onze verschillen te omarmen en toch tot het gemeenschappelijke te komen.

En zo komen we tot de oorsprong van communicatie. Communicare, als deelnemen. Communis, als dat wat gemeenschappelijk is.

Aan iets deelnemen, doe je vanuit jezelf. Met je eigen ik en je eigen lichaam. Hiervoor moet je jezelf kunnen en durven blootgeven aan de andere deelnemers. Helaas  wordt blootgeven geinterpreteerd – begrijp je wel? – als een vorm van zwakte. Je blootgeven ontketent een gevoel van schaamte, van ongeoorloofde vrijheid – rationeel vertaald als een dierlijke vrijheid. Mens versus niet-mens.

Wel, ik voel me niet langer beschaamd me bloot te geven. Zwak? Nog nooit zo sterk gevoeld. Beschamend? Nog nooit zo trots gevoeld. Beklemmend? Nog nooit zo vrij gevoeld. En nog nooit zo menselijk. Want wat is er humaner dan proberen elkaar te voelen, verschillende mensen die samen deelnemen aan dat wat hen nog menselijker maakt? Communicatie als een tastend proces in de zoektocht naar het gemeenschappelijke, het ware zelf, dat alles verbindt. 

Voel jij ook dit kloppende hart van communicatie? Wil je er samen met mij op bewegen en dansen? De schaamte voorbij, in en met ons pure ik. 



maandag 13 januari 2014

De dood als doel


Elke dag stel ik werkzoekenden dezelfde vraag, wat ze wensen te bereiken in/met hun leven? Samen bekijken we hun competenties en mogelijkheden, we vangen dromen en proberen die om te zetten in een stappenplan, of beter nog, een actieplan. Ikzelf heb genoeg actie. Ik verberg me achter stapels werk, de opvoeding van drie kinderen, huishoudelijke en maatschappelijke verplichtingen. Voorlopig hoef ik me die vraag over het doel van mijn leven niet te stellen. Of toch? Wat is die uiteindelijkheid waarheen ik hoop dat mijn stappen me zullen leiden?

Wat hoop ik te bereiken? Ik koester geen professionele of materiele ambities. Uiteraard streef ik naar geluk voor mij en mijn kinderen, voor mijn dierbaren en de wereld. Maar het geluk van mijn kinderen en de wereld heb ik zelf niet in handen. Mijn eigen geluk daarentegen hangt af van mijn eigen eerlijkheid jegens het leven. En jegens de dood.

Wat ik echt hoop te bereiken, is dat ik vanuit een ultiem gevoel van geluk en van intense rust, vanuit een (h)erkenning van het goddelijke in mijn diepste wezen, een volmondig ja tegen de dood durf te zeggen. Dat ik in alle eerlijkheid de dood durf te verwelkomen wanneer die me in de ogen kijkt. En dat ik in de dood de pure lichtbron in het hart van de corona mag aanschouwen, zonder mijn eigen ogen neer te slaan. Ik hoop dat ik op een dag klaar ben om te vertrekken op die uiteindelijke reis, die me, insha’Allah, thuis zal brengen.

De dood als poort naar huis. Maar daarvoor moet ik eerst de nevels van me afwerpen en uit mijn eigen schaduw treden. De competenties die ik daarvoor nodig heb? Durf, eerlijkheid, geloof, doorzetting en geduld. Mijn stappenplan? Mezelf stap voor stap ontsluieren voor mezelf om zo, diep in mezelf, de onsterfelijkheid te ontdekken. Mijn actieplan? Mijn leven te leven in een voortdurend bewustzijn van de eenheid van ons allen, daarnaar te handelen en het ten volle te aanvaarden. Mijn doel in dit leven? Ooit, op dat ultieme moment waarin het wereldse slechts een verzuchting blijkt van de eindeloosheid, de schoonheid van de dood te ervaren.


donderdag 2 januari 2014

Drama van het individu

We weten het al lang; ben je arm, dan heb jij niet de juiste kansen gegrepen. Ben je langdurig werkloos; dan ligt dat aan jouw eigen gebrek aan werkwillendheid. Heb je een burnout, dan is dat omdat je als individu de verkeerde prioriteiten stelt. Kortom, het individu creëert zijn eigen hemel of hel; jij bent je eigen god. De maatschappij is slechts het decor waarin jij acteert. Er is geen ruimte voor toeschouwers, geen ruimte voor zelfreflectie, want de acteur doet het alleen. Nu ja, alleen, weliswaar onder strikte controle van de regisseur. En als de acteur zijn rol niet volgens de regels van Het Boek vervult, wordt hij geGASsioneerd of erger nog, verdwijnt hij achter de coulissen, buitenspel, verworpen uit de canon van de geschiedschrijving.

De individualisering is de nieuwe religie en het almachtige individu de nieuwe tempel. Maar o wee als het individu wordt aangesproken over zijn interactie binnen het bredere rollenspel, in zijn relatie tot het andere individu, in een context van gedeelde verantwoordelijkheid. Dan verschuilt het zich achter zijn individuele beperktheden en relativiteit. Dan is het individu plots niet meer dan een kleine schakel in een spel waarin geen plaats is voor zijn individuele stem. Dan verschraalt het tot een deel van het decor. Want verantwoordelijkheid geldt enkel in de creatie van het eigen epos. Helaas schrijft de protagonist in zijn narcisme de tragedie van de ander. Maar daaraan heeft onze held geen boodschap. Immers, hij laat zich maar al te graag verblinden door de schijnwerper waarin hij zelf wil staan, in de illusie van eeuwigheid, doodsbang voor de duisternis van de ander.

Echter, die duisternis creëert hij zelf. Die duisternis huist in hemzelf. Want echt licht komt alleen voort uit warmte, tenzij het een reflectie is, maar ook dan is de oorspronkelijk bron warmte. Het individu, ogenschijnlijk helemaal alleen in zijn spel, is koud, heeft externe warmte nodig om in het licht te staan. Het is de regisseur die bepaalt welke acteur in de schijnwerper komt. En zo kan de held plots de anti-held worden, beschimpt en verdoemd. Ach wat, het was zijn eigen fout, nietwaar?


In onze individualisering worden we steeds meer de speelbal van de regisseur, van de neoliberale politiek. Als we ons eigen individu willen redden, zullen we de andere acteurs moeten betrekken, hen bij de hand nemen, ook diegenen achter de coulissen. In interactie en dialoog met elkaar, in een gezamenlijk drama waarin we allemaal helden kunnen zijn. Helden uit wiens warme harten het licht ontspringt. Samen licht.